Zo werkt gebiedsontwikkeling

 33.00

Waardering 5.00 op 5 gebaseerd op 2 klantbeoordelingen
(16 klantbeoordelingen)

Auteur: Friso de Zeeuw

ISBN: 9789082781106

Voor boekhandelskorting: neem via email contact met ons op.

SKU: 403-zeeuw-NL Categorieën: , ,

Beschrijving

VSSD ledenprijs € 33,-    niet-ledenprijs € 33,-

Functies, bebouwing en uiterlijk van stad en land veranderen voortdurend. Gebiedsontwikkeling is een methode om die veranderingen in goede banen te leiden. ‘De kunst van het verbinden van functies, disciplines, partijen, belangen en geldstromen, met het oog op de ontwikkeling of transformaties van een gebied’, luidt de officiële omschrijving.

In Zo werkt gebiedsontwikkeling komen alle aspecten van het vakgebied aan de orde, en dat zijn er heel wat. De lezer krijgt inzicht in de complexe materie, zonder uitgebreide theoretische verhandelingen. In begrijpelijke, nuchtere taal worden systeem, proces, inhoudelijke aspecten en persoonlijke competenties besproken. Dit alles geïllustreerd met verhelderende schema’s en talloze praktijkvoorbeelden. Het maakt dit boek tot een uniek standaardwerk voor studie en praktijk.

Het is ook een kritisch boek: modieuze opvattingen en praktijken die het vakgebied ondermijnen, stelt de auteur – onder het motto voodoo – onbarmhartig en tegelijkertijd ironisch aan de kaak.

De auteur, Friso de Zeeuw, kan bogen op veertig jaar professionele ervaring bij overheid, in de politiek, als adviseur en in het bedrijfsleven. Tot eind 2017 was hij de eerste praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft. In die hoedanigheid schreef hij dit werk.

De praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling TU Delft treedt samen met de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) op als uitgever van deze productie. De SKG verenigt meer dan dertig publieke en private organisaties die zich professioneel met gebiedsontwikkeling bezighouden. Zij ondersteunt de praktijkleerstoel inhoudelijk en financieel.

Zo werkt gebiedsontwikkeling is een absolute must voor wie studeert of al een tijdje in het vakgebied actief is. Ook aan burgers, bedrijven en maatschappelijke groeperingen die in hun eigen omgeving met gebiedsontwikkeling te maken hebben, wijst dit boek de weg.

Neem hier alvast een kijkje in het boek.

16 beoordelingen voor Zo werkt gebiedsontwikkeling

  1. Fred van der Molen

    Met Friso de Zeeuw in de buurt wordt het zelden saai. Dat geldt ook voor het kloeke handboek dat eind december ter gelegenheid van zijn afscheid als praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling bij de TU Delft verscheen.
    Zijn handboek ‘voor studie en praktijk’ bevat naast alle – toegankelijk geschreven – informatieve hoofdstukken die je zou verwachten in een dergelijk handboek ook een flink aantal prikkelende artikelen en columns die van hem de afgelopen jaren in diverse tijdschriften zijn verschenen. Hij wil daarbij graag ageren tegen de naar zijn mening “ziekelijke hang naar ‘disruptie’, ‘innovatie’ en ‘kanteling’ die het vakgebied teistert.” Met gretigheid heeft De Zeeuw zich altijd gestort op de ontmaskering van deze ‘voodoo’ van de ‘Hogepriesters van de Kantelkerk’.
    De rode draad: veel zogenaamde disruptieve innovaties zijn niet meer dan kleine niches. Dus laat de ‘zelfkazende burger’, de zelfbenoemde ‘stadmaker’ dus niet een te grote hoed opzetten. CPO, tiny houses, bottom-up ontwikkeling. Allemaal leuk, stelt de emeritus, zolang de ambachtelijke kant van de gebiedsontwikkeling maar niet in het gedrang komt door overdadige aandacht voor randverschijnselen.
    De woonwensen van de meeste mensen zijn namelijk behoorlijk constant, draagt De Zeeuw al jaren uit. En een behoorlijk woonoppervlak van minimaal 60 vierkante meter is daar één van. Moderniteiten als de ‘microwoning’ zijn volgens hem alleen populair omdat er niets anders betaalbaars is te krijgen.

    Het handboek behandelt de vele kanten van gebiedsontwikkeling: proces, fasering en activiteiten, de actoren daarbij en de vele financiële elementen: grondexploitatie, vastgoedexploitatie, btw en belastingen, verevening enzovoort, enzovoort. In andere hoofdstukken wordt ingegaan op het omgevingsrecht, publiek-private samenwerking, gebiedstransformaties, omgevingskwaliteit en de wijze waarop rekening gehouden kan en moet worden met mobiliteit, water en energie. Dit alles gelardeerd met vele praktijkvoorbeelden, illustraties en fraaie fotografie.
    Een fraai, verzorgd en nuttig handboek voor zowel studenten als professionals en bestuurders die in de praktijk met gebiedsontwikkeling te maken krijgen.

  2. Daan van der Vorm

    Praktijkhoogleraar De Zeeuw levert een lijvig doch zeer lezenswaardig handboek af over het “vak” gebiedsontwikkeling. Het boek is zeer toegankelijk en gelardeerd met zeer interessante praktijkvoorbeelden, vaak voorzien van commentaar in zijn  zeer herkenbare stijl, vaak met humor, veel relativering en soms met een knipoog naar de “moraalridders” uit dit altijd dynamische vakgebied.

    De Zeeuw brengt de jonge geschiedenis van dit vak nauwkeurig in beeld en laat ook zeer inhoudelijk zien aan welke dynamiek het vak onderhevig is. De vele inhoudelijke artikelen in het boek, maken de materie voor kenners, maar ook voor niet-kenners, toegankelijk. Doch ook fijnproevers kunnen hun hart ophalen bij een aantal bijzondere casussen die De Zeeuw beschrijft.

    Het boek is een uitstekend studieboek voor nieuwelingen in het vakgebied doch ook voor de “oude rotten” in het vak die met deze uitgave urenlang vermaakt kunnen worden. In die zin schrijft De Zeeuw met dit boek eigenlijk ook een geschiedenisboek. Bij VORM ligt het boek als verplichte kost op een aantal afdelingen. De praktijk is toch vaak de beste leerstoel, met dit boek is een mooie opstap gecreëerd!

  3. Monika Chao

    Een mooi vorm gegeven boek, overzichtelijk en toegankelijk voor een ieder die zich met dit brede vakgebied bezig houdt. Tezamen met het Juridisch Handboek Gebiedsontwikkeling (uitgave Instituut voor Bouwrecht), van Arjan Bregman, Regina Koning en Rob de Win heeft men een heel mooi beeld van wat gebiedsontwikkeling nu vereist. Wie gaat werken in dit gebied, moet deze beide boeken op tafel hebben liggen om goed beslagen ten ijs te komen.    

  4. Sarah Ros

    ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ van Friso de Zeeuw maakt zijn belofte waar, oordeelt bestuursadviseur Sarah Ros die het werk doorspitte. ‘Het is geen wetenschappelijk onderzoek maar De Zeeuw bezit de gave om het spel, de spelers en de (maatschappelijke) context van gebiedsontwikkeling in heldere taal uit te leggen.’ Voor iedereen met interesse in ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed is eind 2017 het handboek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ verschenen. Friso de Zeeuw schetst hierin een compleet beeld van de wereld van gebiedsontwikkeling. Hij gaat op zoek naar het antwoord op de vragen: Waar gaat het over? Wie gaat erover? Waar gaat het mis? En wat heeft het ons opgeleverd? De Zeeuw neemt de lezer mee door de geschiedenis van gebiedsontwikkeling waarin zowel de bloeiende periode als de crisis aan bod komen. De Zeeuw focust vooral op de proceskant van het vak aan de hand van geslaagde en minder geslaagde projecten. Muggenziftende regelneven (juristen), figuurzagers (detail-ambtenaren), zelfkazende burgers en het bedevaartsoord voor ‘stadskabouters’ (Pakhuis de Zwijger) komen voorbij in de onderbouwingen van De Zeeuw. Misschien verwacht de lezer gepeperde uitspraken en ongezouten meningen, maar wat dat betreft heeft De Zeeuw zich weten te beheersen. Zoals de titel doet vermoeden is het handboek vooral informerend.

    Ook voor de door de wol geverfde professional is ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ waardevol. Het verhaal laat de theorie rijk illustreren met een veelvoud van Nederlandse en enkele internationale praktijkvoorbeelden waardoor het een feest van herkenning is. De lezer krijgt mee wat gebiedsontwikkeling behelst, maar ook wat het vooral níét is. Uiteindelijk komt het allemaal neer op creatief ploeteren zo schrijft De Zeeuw. Vooral tijdens de diepgaande crisis tussen 2008 en 2014. Gebiedsontwikkeling mag deze crisis volgens de leermeester dan glansrijk hebben doorstaan, toch heeft die periode groot effect gehad op het imago en de uitvoering van het vak. Nieuwe PPS-constructies zijn ontstaan en het ‘ontslakken’ is uitgevonden. Organische gebiedsontwikkeling en CPO (collectief particulier opdrachtgeverschap, red.) werden als mogelijke nieuwe leidende ontwikkelvormen naar voren geschoven. Maar De Zeeuw is er duidelijk over: gebiedsontwikkeling 1.0 – de planmatige variant – blijft de meest dominante vorm.

    Toch is het handboek geen uitgeschreven geschiedenisles. Uiteraard spelen de lessen uit het verleden een belangrijke rol maar De Zeeuw geeft ook handvatten mee voor de toekomst en anticipeert op de mogelijke transitie in het vak. Onder meer de invloed van de Omgevingswet, de energietransitie, BIG-data en onze veranderende kijk op binnenstedelijk wonen, worden besproken.

    Het handboek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ maakt zijn belofte waar, het is geen wetenschappelijk onderzoek maar De Zeeuw bezit de gave om het spel, de spelers en de (maatschappelijke) context van gebiedsontwikkeling in heldere taal uit te leggen. Op die manier geeft hij zijn kennis en enorme praktijkervaring, opgedaan in zijn functies in de publieke en private sector, door aan de jongere generaties.

  5. Maarten Janssen

    In Zo werkt Gebiedsontwikkeling laat Friso de Zeeuw op heldere wijze zien wat gebiedsontwikkeling is, hoe het vakgebied zich heeft ontwikkeld en welke opgaven de toekomst van dit vakgebied brengt. Gebiedsontwikkeling, zo schetst hij, is weliswaar zeer concreet, met fysieke ingrepen in gebieden tot gevolg, maar laat zich beter duiden als een procesmethodiek. Gebiedsontwikkeling (GO) wordt omschreven als een complex en adaptief systeem, een dans met vele dansers die bovendien in verschillende fasen van de dans een andere rol hebben. Het wordt getekend door een onzeker en grillig verloop, waarbij de deelnemers met een bepaalde lenigheid op hun voeten moeten staan. Met zo nu en dan ‘doorwaadbare plaatsen’: windows of opportunity waar alerte actoren snel gebruik van moeten maken. Door deze proces-bril bekeken, is GO een methodiek waarin creativiteit, flexibiliteit, ondernemerschap, doorzettingsvermogen en (gedeeld) leiderschap de belangrijkste ingrediënten zijn. Waar passie en ploeteren minstens even zwaar tellen als geld. Voor gebiedsontwikkelaars ‘in het veld’ zeer herkenbaar.

    Naast deze beschouwende analyse van GO levert het boek op overzichtelijke wijze de basiskennis rond aspecten als het omgevingsrecht, grondexploitatie en projectfinanciering. Het gaat in op de verschillen tussen ontwikkelaars en beleggers en behandelt diverse marktselectiemodellen, exploitatiemodellen en vormen van publiek-private samenwerking. En door het hele boek worden concrete gebiedsontwikkelingen behandeld, met soms een uitstapje naar het buitenland.

    De Zeeuw plaatst nuchtere kanttekeningen bij trends en ontwikkelingen en kijkt met humor en een scherpe pen terug op de crisisperiode waarin ‘stadskabouters’ en ‘kleinschaligheids-ayatollahs’ het discours leken te domineren.

    Maar het boek blikt ook vooruit. Aan de hand van zes grote opgaven positioneert De Zeeuw GO als onmisbaar (doch niet exclusief) instrument voor de komende 25 jaar. Hij wenst Nederland daarbij een beetje meer Singapore toe, met minder ‘babbelboxen’ en bestuurlijke drukte.

    Met Zo werkt Gebiedsontwikkeling heeft Friso de Zeeuw voor zowel studenten als professionals een leerzaam, interessant en vlot geschreven standaardwerk neergezet.

  6. Waardering 5 uit 5

    Erna van Holland

    Zo werkt gebiedsontwikkeling’ is het handboek voor studie en praktijk dat emeritus prof. F. De Zeeuw ter gelegenheid van het afscheid van zijn leerstoel in december 2017 heeft uitgegeven. Het boek is opgebouwd uit ‘neutrale’ en opiniërende delen, maar iedereen die Friso kent, weet dat zijn stem voortdurend doorklinkt. Zijn woordgebruik is – zoals bekend – uniek. Ik ken niemand anders die in staat is een vak als gebiedsontwikkeling vanuit zijn brede praktijkervaring met humor, een knipoog, poëtisch en toch ook feitelijk te omschrijven. Hij steekt zijn mening niet onder stoelen of banken en je moet er natuurlijk wel van houden, maar wat klopt er niet aan ‘het kerkhof van vergeefse planvorming ligt vrij vol’?

    In de eerste hoofdstukken geeft hij een – voor mensen in het vak – goed leesbare overzicht van de kern van gebiedsontwikkeling. Het is langlopend proces in een uiterst dynamische omgeving, daarmee complex en weerbarstig. En dat is niet eenvoudig om in beeld te brengen. De complexiteit van een aantal schema’s dat in het boek is opgenomen, is hier getuige van. Ze bieden wel enig houvast. De vele praktijkvoorbeelden door het hele land en uit het buitenland illustreren goed de complexiteit van het vak. Ze illustreren uiteenlopende aspecten en zijn zeer leerzaam, ook voor mensen die al langer in het vak zitten. Niet gebruikelijke verwijzingen naar historische voorbeelden zoals het Victoriahotel in Amsterdam (uit Publieke Werken van Thomas Rosenboom) maken ook het historisch perspectief duidelijk. Helaas is het door de vele voorbeelden lastig om de structuur van het boek vast te houden.

    De hoofdstukken over financiën zijn een verademing. Eindelijk iemand die dit kort, bondig en vooral duidelijk voor het voetlicht brengt. Goed is vervolgens de koppeling naar de spelers in de waardeketen. Dan wordt duidelijk waar het bij gebiedsontwikkeling om gaat en dat is waardecreatie en wel voor alle spelers. Ook is aandacht besteed aan wat gebiedsontwikkeling in ieder geval onderscheidt van projectontwikkeling, namelijk de aspecten mobiliteit, water en energie. En eindelijk wordt er in een handboek aandacht besteed aan zachte aspecten van het vak: de competenties en leiderschap. Omgevingskwaliteit als verzamelbegrip is wel een vondst voor de onderwerpen duurzaamheid, functiemenging, openbare ruimte, concept, stedenbouw, architectuur, erfgoed, groen en biodiversiteit en gezondheid. Onderwerpen die bij het vak gebiedsontwikkeling niet mogen ontbreken.

    Vooral voor het gebruik door studenten verdient het aanbeveling in de volgende editie de structuur te verhelderen en wat ondersteuning te bieden voor de wijze waarop de jongere generatie leest, bijvoorbeeld met kernwoorden in de kantlijn. Er wordt een respectvolle verwijzing gemaakt naar het Handboek Projectontwikkeling (2010) dat door de Neprom binnenkort opnieuw wordt uitgebracht. Maar de vraag is of er niet al veel gras voor de voeten is weggemaaid met deze inspirerende uitgave.

  7. Desirée Uitzetter

    Zo werkt gebiedsontwikkeling, wauw wat een waardevol en aantrekkelijk handboek voor praktijkbeoefenaars en studenten! Met een vlotte pen en een gebiedsontwikkelingsbril op heeft Friso de Zeeuw tal van plekken en aspecten van ons omvattende vakgebied helder uiteengezet. De praktijkbeoefenaar herkent hierin veel situaties, kan die nu beter in de context plaatsen of vindt zelf oplossingsrichtingen. En de student krijgt in één oogopslag de breedte van ons vak gepresenteerd. Zij wordt natuurlijk uitgedaagd om zelf kritisch te blijven of het nu gaat om de omgevingswet, oude en nieuwe vormen van publiek private samenwerking, de uitdagingen van de grondexploitaties en de internationale lessen.

    Friso steekt wederom zijn mening niet onder stoelen of banken en dat helpt eenieder om scherp te blijven op de doorontwikkeling van ons vak. Want binnen en buiten de lijntjes kleuren blijft nodig. Het boek mag naar mijn mening nog iets meer aandacht geven aan de menselijke kant van gebiedsontwikkeling. Het gaat immers altijd over samenwerken in wisselende coalities met een diversiteit aan belangen en dat vergt vaardigheden die zich niet uitsluitend meten aan kennis en inzichten. Een aanvulling voor de tweede druk wellicht.

    Wat ik tot slot nadrukkelijk waardeer in het boek dat Friso oude en nieuwe inzichten combineert en goed in de tijdsgeest plaatst. Kortom: een aanrader dus, voldoende diepgang en vele illustraties maken dit boek echt tot een goed bruikbaar leerboek voor veel opleidingen in het ruimtelijke domein, maar ook een fantastisch naslagwerk voor de gebiedsontwikkelaars onder ons.

  8. Paul Strijp

    De pagina’s 243 en 244 zijn het interessants. Deze tonen zowel de kracht als zwakte van het handboek Zo werkt gebiedsontwikkeling. De Zeeuw blikt terug op zijn tien jaar als praktijkhoogleraar. Tot zijn genoegen stelt hij vast dat de paradigma’s van het vak gebiedsontwikkeling ondanks de economische crisis overeind zijn gebleven. De lezer kan na lezing van alle voorgaande pagina’s maar één conclusie trekken: dat is voor een zeer groot deel de verdienste van De Zeeuw! Zijn handboek scoort uitmuntend op de criteria die voor een standaardwerk gelden: juistheid, volledigheid, leesbaarheid (een paar tenenkrommende taalfouten daargelaten), bruikbaarheid en bredere context naar plaats (internationale oriëntatie) en tijd (historisch besef).

    Maar dan klinkt het Gaat u maar rustig slapen van voormalig premier Colijn. Wee degene die beweert dat vigerende paradigma’s zouden kunnen veranderen of verdwijnen. Genadeloos doet De Zeeuw een peloton aan vakgenoten in de ban. Bronnen blijven hierbij achterwege. En dus vraagt de lezer zich vertwijfeld af: wat hebben deze mensen in hemelsnaam misdaan? Deze vraag klemt te meer voor Peter van Rooij die in het begin van het boek nog gewaardeerd wordt. Onder de gordel, Friso! Schaamteloze afrekeningen horen niet thuis in een publicatie van een leerstoel. We noteren dan ook een vette min op het criterium fair play.

    Natuurlijk, niemand weet hoe de toekomst zich ontwikkelt. Maar de economische crisis van de afgelopen jaren was toch echt van een fundamenteel andere orde dan de technologische revolutie die op dit moment woedt. Met een internet of things dat koelkasten, gebouwen, voertuigen, bruggen en sluizen met het internet gaat verbinden, met een 3D-printing die wel eens veel meer productie in en om het huis mogelijk zou kunnen gaan maken, met big data die door algoritmen ook gebiedsregisseurs kopzorgen gaat bezorgen. Aan deze technologie gaat het handboek grotendeels voorbij, technologie is een instrumenteel dingetje, een sub-paragraaf. Een minnetje op het criterium toekomstbestendigheid.

    Waar moet je aan denken bij nieuwe paradigma’s als gevolg van de technologische revolutie? Allereerst aan de noodzaak om het omgaan met onzekerheid als kerncompetentie voor nieuwe generaties gebiedsregisseurs te introduceren. Dar horen bijvoorbeeld scenariotechnieken bij. En verder zullen die regisseurs moeten beschikken over het vermogen om de nieuwe datawereld te begrijpen en er bij voorkeur ook in te kunnen handelen.

    Neemt allemaal niet weg dat het eindoordeel over het handboek nog steeds royaal positief is.

  9. Kristel Lammers

    Het boek, ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ geeft inzicht in het complexe vraagstuk van gebiedsontwikkeling. Het is een mooi vormgegeven boek dat is verschenen bij het afscheid van Friso de Zeeuw aan de universiteit in Delft en uitnodigt tot lezen. Het geeft een inzicht in hoe gebiedsontwikkeling vorm krijgt in een onvoorspelbare context. De theorie wordt rijk aangevuld met voorbeelden, het boek bevat mooie columns en stevige opvattingen. Het is absoluut geen saai wetenschappelijk verhaal, maar veelzijdig en kleurrijk. Op een eenvoudige manier rafelt Friso de geschiedenis en vele elementen van de gebiedsontwikkeling uiteen. Het vakmanschap van de gebiedswerker wordt knap inzichtelijk gemaakt met aandacht voor kennis, kunde en vaardigheden.

    Het boek is niet alleen interessant en relevant voor gebiedswerkers, maar ook voor bestuurskundigen en veranderkundigen!

    Er zitten tal van haakjes in het boek die veranderkundige en bestuurskundigen boeien, zoals de chaostheorie, participatie en energieke samenleving, invloed van technologie en nieuwe stuurstijlen. Het beschrijft de worsteling tussen het dynamische, onzekere en onoverzichtelijke speelveld en de behoefte om daar invloed op uit te oefenen. Er lijkt een hangt te zijn naar het sturen van het ‘adaptieve’ systeem via ‘cockpit’ en ‘mengpaneel’ op zoek naar het dynamische evenwicht tussen chaos en orde.

    De passage waar Friso ingaat op het wij-zij denken vind ik interessant: ‘Daar waar het wij-zij denken zijn intrede doet in de gebiedsontwikkeling gaat het mis. Er is dan geen gemeenschappelijke visie. Urgenties en belangen van bestuurders, professionals, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers lopen uiteen. Iedereen blijft hangen in de eigen wereld met bijbehorende agenda, werkdruk en regels’ (p.91). Ik denk dat dit niet alleen van toepassing en funest is voor gebiedsontwikkeling. Dit denken zie ik ook terugkomen bij de Omgevingswet, Sociaal Domein, Lokale Democratie, Regionale Samenwerking, Mobiliteit, Klimaatadaptatie, Energie en andere urgente vraagstukken. Iedereen kijkt vanuit het eigen perspectief en handelt daar naar. Het zorgt continue voor verrassingen. Acties vinden plaats op elkaars ingrijpen en niemand heeft of kan het ‘totale’ overzicht hebben. Daardoor is het een proces vol onzekerheid en onvoorspelbaar.

    Hoe daarmee om te gaan? Friso’s stelt dat mentaliteit, houding en gedrag van de toepassers van de wet op zowel lokaal, provinciaal en landelijk niveau van groot belang is voor het slagen van de Omgevingswet. Dat onderschrijf ik. En deze ontwikkelt zich in de lokale praktijk, waarbij omgaan met onzekerheid, meervoudigheid, permanent beta én het doorbreken van het wij-zij denken noodzakelijk is om samen te kunnen werken. De zoektocht gaat ongetwijfeld gepaard met geklungel, gepruts en geknutsel wat leidt tot successen én tot fouten. Net als in het ‘echte’ leven. Om in de woorden van Friso te blijven: het kent een hoog ‘ploetergehalte’. Waarbij Friso stelt dat gedrevenheid, verbinding en volharding in combinatie met een gedegen inhoudelijke basis inderdaad nodig zijn. Deze zou ik willen verrijken met relativeringsvermogen en reflectie om het eigen geploeter en dat van anderen in perspectief te kunnen zien.

  10. Geurt van Randeraat

    Een jaar of twintig bestaat het fenomeen gebiedsontwikkeling. Een piepjong vak dus. Er bestaat geen lange praktijktraditie. En er zijn maar enkele boeken geschreven die het vakgebied in al haar complexiteit geprobeerd hebben te duiden. Het boek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ kan met recht een handboek voor studie en praktijk genoemd worden. Het boek brengt het vakgebied gebiedsontwikkeling chronologisch in beeld, het beschrijft de korte maar boeiende levensduur van het vak. Het duidt de context waarbinnen het vak gebiedsontwikkeling wordt bedreven. Het geeft een helder overzicht van de methoden en technieken die in de praktijk zijn ontstaan. Het duidt de spelers van het spel en hoe deze met elkaar samenwerken. En daar bovenop bevat het boek een schat aan referentieprojecten en enkele gepeperde opiniestukken, waardoor het makkelijk leest, ondanks de maar liefst 270 pagina’s.

    In mijn eigen bedrijf SITE is het inmiddels verplichte kost geworden voor de jongere medewerkers. Het biedt ze de basisinzichten die in deze vorm en volledigheid op geen enkele basisopleiding wordt geboden.
     
    De dikte van het boek en de vele hoofdstukken laten zien dat gebiedsontwikkeling meer dan een veelomvattend vak is. Het is Friso de Zeeuw gelukt om nagenoeg compleet te zijn. Petje af hiervoor. De voorbeelden die De Zeeuw aanhaalt en de referentieprojecten zijn een feest der herkenning en geven bij elkaar een buitengewoon goed beeld van de stand van zaken in ons vak. Uiteraard blijven er referentieprojecten door je hoofd schieten bij het lezen, zo miste ik het fameuze AWF (Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij) uit 1991, van de gemeente Amsterdam met MBO projectontwikkeling, waar de ontwikkeling van de Amsterdamse IJ-oevers in een groots pps voorzien werd. Maar ach, het is hem vergeven.

    De Zeeuw geeft in de introductie aan dat hij zich op de procesmatige kant van het vak richt met het boek. Verdedigbaar, je moet kiezen. Toch zou het boek sterker worden, als de imposante inhoudelijke kennis van de TU Delft een grotere plek zou krijgen. Ook de Praktijkleerstoel heeft de afgelopen jaren immers vele inhoudelijke onderzoeken gedaan. Vraagstukken zoals: wat maakt het verschil tussen een goed en minder goed gebiedsconcept?; Welke programma mix maakt stedelijke gebiedstransformaties goed? Hoe werken al die innovatiedistricten? Wanneer is een gebiedsontwikkeling kwalitatief geslaagd, en hebben we daar dan meetinstrumenten voor ontwikkeld? Enzovoorts. Een potentiele verrijking voor een onvermijdbare tweede druk.
     
    De hoofdmoot van het boek beschouwt de afgelopen tien jaar, de periode waarin De Zeeuw de leerstoel bekleedde. Logischerwijs gaat het veel over het vergelijk tussen pre-crisis, crisis en post-crisis. Conclusie: het vak gebiedsontwikkeling is overeind gebleven, vele methodieken blijven van waarde, de maatschappelijke impact is groot en zo ook de gevoeligheid voor allerlei nieuwe inzichten, ideeën en idealen. Het boek is daarmee ook een barometer, het geeft de stand van zaken van het heden aan. Als het vakgebied de komende jaren net zo dynamisch is als het afgelopen decennium, dan betekent dit dus wederom veel voor ons begrip van het vak.
     
    Tot slot: ik heb bij het lezen genoten van de vele ongezouten opvattingen van Friso de Zeeuw. De Zeeuw toont zich realist met een grondige hekel aan te veel idealisme en doorgeschoten dromerij en eindeloze babbelboxen. Hij veegt de vloer aan in zijn oekazes tegen ‘stadskabouters’ en neemt geen blad voor de mond richting ministeriele programma’s over ‘gebiedsontwikkeling nieuwe stijl’, 2.0 of 3.0. Hij schuwt de polemiek hierbij niet en gaat vaak tot het randje, soms een tikkie eroverheen. Toch vond ik de hoofdstukken 15 en 16 ook in balans waar het gaat om kritiek en waarschuwingen richting zowel overheid als marktpartijen. In het algemeen is het boek mijns inziens nog iets te lief en voorzichtig richting de wereld van ontwikkelaars en beleggers. Zo scherp als De Zeeuw is richting overheid en ‘stadskabouters’, wordt hij geenszins als het gaat om marktpartijen. Terwijl er behoorlijk wat kanttekeningen te zetten zijn bij de nog grote hoeveelheid te korte termijn denkers onder marktpartijen en het kwalitatief onvermogen van heel wat marktpartijen. Of wat te denken van de manier waarop een aantal gemeenten in Nederland in crisistijd geconfronteerd is met het wegduiken van ontwikkelaars en wel erg eenzijdige risicoverdelingen in pps contracten, of bij de lobby van marktpartijen om in de vreemdste polders woningen te bouwen, omdat daar nu eenmaal iets te opportunistisch aangekochte gronden liggen op te renten. Zeker gezien de komende jaren in mijn optiek de wereld van gebiedsontwikkeling meer en meer een privaatgestuurde wereld zal worden. De sector dient scherp gehouden te worden, blijvend opgeleid te worden en bovenal continu gestimuleerd om professioneler te worden. Ik hoop dat Friso de Zeeuw nog even in het vak blijft rondhangen en de ‘angry bee’ blijft zoals we hem kennen.

  11. Co Verdaas

    December 2017 nam Friso de Zeeuw na 11 jaar afscheid als praktijkhoogleraar gebiedsontwikkeling aan de TU Delft. Zijn kennis en inzichten heeft ie samengebald in een boek met de titel “zo werkt gebiedsontwikkeling”. Wellicht een ietwat pretentieuze titel, maar als iemand recht van spreken heeft is het De Zeeuw. Hij is jarenlang verbonden geweest aan BPD (voorheen Bouwfonds), is wethouder en gedeputeerde geweest en heeft als hoogleraar veel geïnvesteerd in het verdiepen en structureren van ervaringen en inzichten in de betreffende materie.

    Gebiedsontwikkeling is een uiterst complex vakgebied, de kans om te verdwalen is groot. Ook lopen ambachtelijke inzichten en opinies snel door elkaar als je niet oppast. Het boek omzeilt deze potentiële valkuilen met verve: aan de hand van een reeks goed afgebakende hoofdstukken over financien, proces, sturing, omgevingsrecht, PPS, inhoudelijke thema’s en participatie biedt De Zeeuw niet allen inzicht en overzicht. Hij geeft tevens handreikingen aan studenten en de professionals in de praktijk. Ook voor mij, toch niet helemaal vreemd met het vakgebied, is het nu al een boek waar ik met plezier op zal terugvallen als ik het even niet meer mocht overzien.
    De Zeeuw is een man met een opvatting, dat moge bekend zijn. De inhoudelijke hoofdstukken worden gelardeerd met eerder gepubliceerde opiniërende bijdragen van De Zeeuw. Ook als je over bijvoorbeeld Tiny Houses een andere mening zou hebben dan De Zeeuw, blijft het boek als ambachtelijk handboek dus overeind. Knap gedaan.

    De kracht van het boek is, naast de gestructureerde en complete opzet, dat de complexiteit tot behapbare proporties wordt teruggebracht, zonder te vervallen in simplisme. Zo maakt De Zeeuw in het hoofdstuk over de financiën met een plaatje helder hoe het risicodragend kapitaalbeslag kan worden verminderd door van de badkuip een aantal wasbakken te maken. Een beeld dat blijft hangen en ook in de praktijk behulpzaam is.

    De titel van het boek lost wat mij betreft de verwachting van de enigszins pretentieuze titel volledig in. Sterker nog, het boek maakt door de inhoud, de speelse opmaak, de vele voorbeelden en de heldere schema’s dat je zin krijgt om aan de slag te gaan met dit complexe vakgebied. Een aanrader dus voor iedereen die zich met het vakgebied verbonden weet.

  12. Gertjan Giele

    Gebiedsontwikkeling, het vakgebied dat ons al decennia bezig houdt, heeft er een zeer goed gedocumenteerd boek bij. Met Zo werkt gebiedsontwikkeling levert Friso de Zeeuw een lijvig boekwerk waarin de complexe materie van gebiedsontwikkeling voor stad en ommeland helder uiteen wordt gezet.

    De hoofdstukken gaan overzichtelijk en prettig gerubriceerd in op de verschillende facetten van gebiedsontwikkeling. Complexe onderwerpen worden ongecompliceerd opgediend. De presentatie van het boek is attractief. De stijl deels feitelijk en – Friso eigen – veelal talig, opiniërend en prikkelend. De materie wordt uitgelegd aan de hand van (mijn eigen keuze P’s) ploeteren met posities, partijen, programma’s, processen, participatie en poen.

    Het boek is verplichte kost voor zowel de oude rot in het vak als de grote schare nieuwe professionals die na de crisis gelukkig weer instroomt.
    De relevantie en de actualiteit van het boek zijn groot. Inmiddels woont een groot deel van de Nederlandse bevolking in de stad of stedelijke omgeving. Dit aandeel zal de komende jaren nog verder toenemen. De stad als de motor voor economische ontwikkeling en sociale stijging. Veel steden staan daarom de komende decennia voor een geweldige uitdaging: ruimte bieden aan deze groei.

    Het vakgebied gaat al lang niet meer over ‘stenen stapelen’. Gebiedsontwikkeling gaat over het toevoegen van (maatschappelijke) waarden door middel van transformatie en herontwikkeling van gebieden met nieuwe gemengde programma’s.

    Daarbij is er ook steeds meer aandacht voor het landschap als kwalitatieve contramal van de stad. Hier liggen mogelijkheden om landelijke- en regionale recreatieve netwerken uit te breiden en verder vorm te geven. Dat biedt kansen.

    Maar er zijn ook serieuze afbreukrisico’s. “De stad is alles tegelijkertijd”. Op pagina 161 van Zo werkt gebiedsontwikkeling staan de uitdagingen beschreven waar steden voor staan. Een stapeling van ambities: slim, gezond, groen, compact, duurzaam, mobiel, inclusief, innovatief, voedzaam, circulair en ga zo maar door. Multi-doelstellingen in een steeds wisselende multi-multi actor-omgeving. Waarbij iedere actor tevreden en ‘met resultaat’ thuis moet komen.

    Aan de hand van verschillende praktijkvoorbeelden schetst het boek door de tijd heen de opgaven, de partijen, de belangen, de rollen, planvormen, de gekozen samenwerking, de ontwikkel- en de financiële strategie. Samenwerken en verbinden, al dan niet op basis van geformaliseerde overeenkomsten, is daarbij de rode draad. Succes- en faalfactoren passeren de revue en worden voorzien van kritische kanttekeningen.

    Friso gaat in op een breed spectrum aan praktijkvoorbeelden. In mijn ogen is in het boek de herstructureringsopgave van de na-oorlogse gebieden onderbelicht. Hoewel in de afgelopen twee decennia, met name in de grote steden, al grote gebieden zijn aangepakt, ligt de belangrijkste opgave nog voor ons. Herstructurering in de nieuwe wereld van de corporatiesector – aan de leiband van de nieuwe Woningwet en met de hoge energieambitie – zal op alle P-vlakken een grote uitdaging zijn. Wat mij betreft een aanbeveling om als nieuw hoofdstuk aan de tweede druk toe te voegen.

    Friso geeft zelf aan dat de publicatie tijdgebonden is. Voor, tijdens en na de crisis. Het boek is, hoewel de context permanent verandert, in de basis echter een universeel bruikbaar standaardwerk. Het boek zou de ambitie moeten hebben zich door de tijd heen organisch te kunnen ontwikkelen. Actualiteiten en voortschrijdende inzichten kunnen eenvoudig toegevoegd worden. Met Zo werkt gebiedsontwikkeling heeft Friso de Zeeuw bij zijn afscheid als praktijkhoogleraar aan de TU Delft het kennis-fundament gelegd. We moeten de kennis met z’n allen levend houden.

  13. Arjan Bregman

    Alleen al de titel van dit werk is typerend voor de auteur, die jarenlang en als eerste de praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft bezette en die op 15 december 2017 zijn afscheidsrede uitsprak. De titel ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ wekt namelijk de indruk dat de auteur een overtuigende boodschap wil brengen. Zo van: je kunt over gebiedsontwikkeling hele mooie theorieën ontvouwen, maar zó werkt het (echt). Wat in de titel ook ligt besloten is dat de auteur de praktijk, maar de wetgever iets heeft willen nalaten wat kan worden beschouwd als resultaat van decennialange ervaring op sleutelposities in relatie tot gebiedsontwikkeling. Beide zijn typerend voor Friso.

    Het boek is – en wat zou je met Friso anders verwachten – aansprekend geschreven en biedt een multidisciplinair overzicht van bij gebiedsontwikkeling relevante aspecten, in woord en beeld geïllustreerd aan de hand van vele praktijkvoorbeelden. Ook mengt Friso zich in enkele belangrijke discussies met (onder meer) een juridische dimensie. In dat kader vragen met name de hoofdstukken 6 (Omgaan met het omgevingsrecht) en 8 (Publiek-private samenwerking) de aandacht.

    Friso raakt in hoofdstuk 6 naar mijn gevoel een cruciaal punt, waar hij terecht stelt dat onder de Omgevingswet bij een (zeer) globaal omgevingsplan, met doorschuiven van detaillering naar vergunningverlening, dat laatste veel zwaarder wordt, omdat dan pas de bestuurlijke afweging plaats vindt (op basis van beleidsregels). Mijn voorspelling is dan ook dat een dergelijke werkwijze van twee serie geschakelde juridisch zware procedures bij veel gebiedsontwikkeling geduchte concurrentie zal ondervinden bij de al decennia beproefde praktijk om eerst (publiek-privaat) een juridisch licht indicatief plan vast te stellen, om daarna de omgevingsrechtelijke toestemming per concreet project te verkrijgen.

    In hoofdstuk 8 voert Friso een pleidooi voor de ‘joint-venture ultralight’ als  samenwerkingsmodel voor publiek-private samenwerking, waarbij aan een gebiedsorganisatie verschillende ‘taken en bevoegdheden’ worden toegekend. Kernwoord bij de daarna volgende opsomming van aan deze gebiedsorganisatie toe te kennen taken lijkt mij te zijn ‘procescoördinatie’. Dat verschilt zo wezenlijk van de klassieke betekenis van een joint-venture, waarbij gezamenlijke bedrijfsvoering en risicodeling centraal staan, dat het wellicht beter is om de gewenste coördinatie in voorkomende gevallen onderdeel te laten zijn van afspraken in het kader van gemeentelijke gronduitgifte dan wel zelfrealisatie op grond van een (anterieure) overeenkomst en daarbij de term joint-venture, hoe ultralight ook,  te vermijden.

  14. Waardering 5 uit 5

    Henry Meijdam

    Wanneer iemand een boek de ondertitel : “Handboek voor studie en praktijk” meegeeft, ontstaat een pretentie. De pretentie dat het boek zowel bijdraagt aan de theoretische kennis over, als aan de praktisch uitoefening van een vakgebied. Het handboek voor studie en praktijk heb ik dan ook bekeken vanuit dat perspectief. Helpt het de aankomende gebiedsontwikkelaar of wetenschapper op dit gebied om zich de basis van gebiedsontwikkeling eigen te maken. Eindoordeel, Wie zich hier doorheen werkt (dapper, hoeft niet gezien de grote leesbaarheid) heeft het ABC van gebiedsontwikkeling meegekregen. Het aardige van het boek is dat het juist ook voor de praktijkmensen niet blijft hangen in droge verzamelingen procesdraaiboeken met nuttige wenken en tips, maar dat de praktijkervaring er van af spat. Wat ik daarbij een vondst vindt, hoewel door sommigen in deze rubriek op andere waarde geschat, is dat De Zeeuw het niet schuwt talloze heilige huisjes, aan de kaak te stellen. Hij doet dit telkenmale op een herkenbare en heldere wijze, die met humor wordt gelardeerd. Hier gaat het niet om het zwart maken van andere opvattingen maar om het overtuigen van de lezer van de noodzaak echt nog eens kritisch naar die opvatting te kijken, respectvol maar duidelijk. Persoonlijke opvattingen en de praktijk richtlijnen worden strict gescheiden en blijven transparant. De opiniërende delen verrijken dan ook het boek. Met name hierdoor zullen juist echte praktijkmensen gestimuleerd worden dit Handboek te gebruiken. Dat zijn immers geen mensen die de tijd en de moed voor louter theoretisch wetenschappelijke betogen weten op te brengen. Als zij zich hiertoe zetten willen ze de geestesoefeningen afwisselen met de humoristische geestesprikkelingen die De Zeeuw in zijn opinies stopt. Een goede manier om de lezers uit die groep te binden, zonder het wetenschappelijk publiek ontrouw te worden.
    Gebiedsontwikkeling is een vak dat nog zeer lange tijd bepalend zal zijn voor de mate waarin we slagen in het verbinden van de ruimtelijke opgaves met de belangen en inzichten van alle stakeholders. Grotere invloed van eindgebruikers van de ruimte is daarbij van niet te onderschatten belang. Gebiedsontwikkeling die de aansluiting met de mensen in de samenleving mist, zweeft als een zojuist lek geschoten ballon boven de markt, Het ziet er nog wel heel aardig uit, maar feitelijk is de teloorgang nabij.
    De subtiliteit en complexiteit van het samenspel tussen gebruikers, producenten, financiers, overheden, belangenorganisaties en het publieke debat, komt in dit boek messcherp naar voren. Dat vergt ook een flexibele creatieve gebiedsontwikkelaar. De Zeeuw is daar in behoorlijke mate prototypisch voor. Gezien het feit dat hij echter volstrekt geen ijdele man is, en er een hekel aan heeft in het zonnetje te staan, zal ik het compliment dat hij daarvoor verdient echter niet aan het papier toevertrouwen. Het zou de aandacht afleiden van het feit dat er met dit boek maar één ding moet gebeuren en dat is…..gebruiken en benutten. Op alle plekken waar dit van toepassing is. en dat zijn dunkt mij de locaties waar de maatschappelijke opgaves in de fysieke leefomgeving plaatsvinden. Theoretisch geschraagd en praktisch uitgewerkt. Geen compliment voor De Zeeuw dus, maar wel dank voor het boekstaven. De gebiedsontwikkeling heeft mede hierdoor een solide fundering.

  15. Tim Zwanikken

    Bij zijn afscheid als praktijkhoogleraar aan de TU Delft presenteerde Friso de Zeeuw zijn boek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’. Een kloek werk, rijk geïllustreerd en zoals de achterflap vermeld bestemd voor studenten en iedereen die met gebiedsontwikkeling te maken heeft. Dat is ook zo. Friso bewandelt systematisch alle stappen en aspecten van het gebiedsontwikkelingsproces. Deze alomvattende tour d’horizon is de kracht van dit boek. De heldere analytische uiteenzetting wordt bovendien voorzien van commentaar gebaseerd op de praktijkervaring van iemand die een leven lang heeft gewerkt aan gebiedsontwikkeling. Als bestuurder, als projectontwikkelaar, als praktijkhoogleraar en deelnemer aan tal van Haagse commissies. De tekst wordt gelardeerd met pittige columns die eerder zijn gepubliceerd. Het is geen wetenschappelijk werk, slechts op een enkele plek staat een uitweiding zoals over de policy window theory van Kingdon. Toch kunnen studenten hier zeker hun voordeel mee doen. Het is een uitstekende introductie op het vakgebied van gebiedsontwikkeling. En daarmee is het ook voor de praktijk zeer bruikbaar als handboek.

    Wie Friso kent, zal al lezende zijn stem horen. Zijn stelligheid, zijn volstrekt eigen vocabulaire en humor. Het boek is Friso. Bondige zinnen, helder taalgebruik, methodisch en verfrissend. Wars van conventies en opsmuk. Optimisme over het vak van gebiedsontwikkeling en pessimisme over ambtenarij en nieuwerwetse fratsen wisselen elkaar af. Zo lezen we over stadskabouters en hun tiny houses die zich verzamelen in hun bedevaartsoort pakhuis De Zwijger, over C2C als holistische prietpraat en over circulaire economie als overschatte hype voor gebiedsontwikkeling. Friso waarschuwt voor ‘geinige’ initiatieven die tot religie worden verheven, zeker als de kosten ervan moeten worden verhaald op de toch al overvraagde gebiedsexploitatie. De ervaren columnlezer herkent zijn stokpaardjes (zoals ‘eigen weiland eerst’). Voor studenten een leuke opdracht in kritisch lezen: waar gaat gedegen kennis van de praktijk over in een mening van de marktman die het allemaal al eens voorbij heeft zien komen?

    De laatste twee hoofdstukken ‘dwaalwegen en leerpunten’ en ‘het grote plaatje’ zijn gewijd aan reflectie. Wat is er veranderd in de gebiedsontwikkeling, wat is er geleerd van de crisis? En, hoe kan gebiedsontwikkeling bijdragen aan de opgaven waar ons land voor staat? Zeer relevante vragen waar kort en krachtig op wordt ingegaan. Helaas met weinig woorden, want zeker op deze plek had ik graag wat meer toelichting en onderbouwing gezien. Mooi is, dat ondanks alle problemen met haperende gebiedsontwikkelingen in het afgelopen decennium, het vak nog steeds met vuur en enthousiasme wordt beschreven. Het heeft in de ogen van Friso niets aan relevantie ingeboet: ben alert op de ‘babbelboxvoodoo’ en maak er iets moois van!

  16. John van den Hof

    Leerboeken voor studenten aan een beroepsopleiding hebben vaak als doel om de praktijk inzichtelijk te maken, maar slagen niet altijd in die opzet. Vooral in een complexe praktijk als gebiedsontwikkeling is het op papier overdragen van ervaringskennis (Michael Polanyi’s ‘tacit knowledge’) geen sinecure. Dat merk je wanneer een doorgewinterde projectontwikkelaar een gastcollege geeft. Je ziet het kwartje bij de studenten dan eindelijk vallen. Friso de Zeeuw laat in zijn handboek zien dat het wel degelijk mogelijk is om ervaringskennis te laten condenseren in een boek. Door een bondige uitleg van de theorie te combineren met inzichtelijke schema’s en te illustreren met talloze voorbeelden gaat de praktijk van gebiedsontwikkeling leven. Hoofdstuk 5 over de financiën van gebiedsontwikkeling vind ik daarvan een mooi voorbeeld. Zo laat De Zeeuw zien hoe de forse voorinvesteringen die nodig zijn om gebiedsontwikkeling op gang te brengen bepalend zijn voor de financiële risico’s van het project. Het duurt immers vaak jaren voordat een voorinvestering wordt terugverdiend door de verkoop van grond en/of vastgoed, terwijl in de tussentijd de conjunctuur (lees: koopsom van grond en vastgoed) een enorme dynamiek kan laten zien. Dat geldt ook voor het hoofdstuk over publiek-private samenwerking. Dit hoofdstuk start met een zeer inzichtelijk schema van mogelijke samenwerkingsmodellen in gebiedsontwikkeling, waardoor de voorbeelden goed te plaatsen zijn. Een ingewikkeld model als de Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij wordt door De Zeeuw goed uitgelegd. Ook de ‘tips voor de gemeente bij PPS’ zijn praktisch in hun eenvoud. De auteur houdt er wel van om bij veel onderwerpen een kritische, maar niet van humor gespeende noot te kraken. Dat maakt het boek zeker levendig, zij het dat je daardoor af en toe de draad in het verhaal verliest. Al met al een aanrader voor studenten en voor iedereen die nieuwsgierig is hoe het nu echt werkt in gebiedsontwikkeling.

Een beoordeling toevoegen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.